Tweehonderd jaar kunst in Museo del Prado

Op 19 november 1819 werd in Madrid het Real Museo de Pintura y Escultura geopend, de voorloper van het huidige Museo del Prado in Madrid. Om te vieren dat het belangrijkste museum van Spanje zijn tweehonderdste jaar in gaat, wordt er deze week en ook de komende maanden van alles georganiseerd.
 
Afgelopen maandag werd het jubileumjaar dus ingeluid en dat gebeurde met een open dag (de toegang was gratis, net als op 23, 24 en 25 november) en met de onthulling van het project ‘Vestir El Prado’. Omdat het gebouw al enige tijd onderhevig is aan enige restauratie en dat niet zo feestelijk staat, is het ter gelegenheid van het jubileumjaar ‘aangekleed’ met doeken waarop negen van de beroemdste schilderijen die in het Prado te zien zijn, worden afgebeeld.Maar even terug naar de negentiende eeuw. Het was koning Carlos de derde die zijn hofarchitect aan het einde van de achttiende eeuw de opdracht had gegeven om aan een boomrijke boulevard aan de buitenkant van het toenmalige centrum van Madrid een gebouw te ontwerpen waar collecties kunst konden worden ondergebracht die in het bezit waren van het koninklijk huis. De architect, Juan de Villanueva, was ook al verantwoordelijk voor de nabije botanische tuin en het astronomisch observatorium.De bouw werd vertraagd door de onafhankelijkheidsoorlog en noch Carlos III noch zijn zoon Carlos IV zouden het uiteindelijke resultaat te zien krijgen. Maar op 19 november 1819 werd het splinternieuwe ‘Koninklijk museum voor schilderkunst en beeldhouwkunst’ dan toch geopend door koning Fernando VII, de kleinzoon van Carlos III, en zijn vrouw Isabel de Bra­ganza. Het museum bood plaats aan 311 schilderijen, alle van Spaanse artiesten. De Spaanse vorsten die zich sterk hadden gemaakt voor het museum hadden het Louvre voor ogen: een plek waar de kunst die over een groot aantal koninklijke paleizen verspreid hing, verzameld kon worden.
 
In de decennia na de opening werd het museum langzamerhand uitgebreid. Er ontstond wel een probleem toen Koning Fernando VII geen zoon had om hem op te volgen en de vraag ontstond wie van zijn twee dochters de eigenaar zou worden van alle bezittingen van ‘De Kroon’, inclusief alle kunst in het museum.. Toen koningin Isabel II in 1868 gedwongen werd af te treden en Spanje gedurende enige tijd een republiek werd, werd de collectie van het museum ‘bezit van de natie’.

De grote collectie kunst die tot dan toe gehuisvest was geweest in het klooster Trinidad Calzado verhuisde in 1872 ook naar het museum aan de Paso del Prado en dat museum ging vanaf dat moment Museo Nacional de Pintura y Escultura heten. Pas in de afgelopen eeuw werd het museum omgedoopt in Museo Nacional del Prado.In het jubileumjaar wil de directie de Spaanse bevolking en ook de toerist laten zien hoe een kleine collectie die ooit alleen bedoeld was om koningen, prinsen en edelen te boeien, in de loop der tijd veranderde in één van de grootste kunstcollecties ter wereld die voor iedereen toegankelijk is. Want behalve 200 jaar museum herdenkt men ook dat het 150 jaar geleden is dat de collectie overging in handen van de staat en dat het tachtig jaar geleden is dat werken die tijdens de Spaanse burgeroorlog tijdelijk verdwenen uit het museum, werden teruggebracht. Vandaag de dag is Het Prado de meest bezochte bezienswaardigheid van Spanje en het staat in de top twintig van meest be­zochte musea ter wereld.
 
Ter gelegenheid van het jubileum is er dus een speciale tentoonstelling, getiteld ‘Mu­seo del Prado 1819-2019. Un lugar de me­moria’. Hierin wordt via woord en beeld de geschiedenis van het museum uitgelegd. Eén van de topstukken van die expositie is een schilderij van Isabel de Braganza van schilder Bernando López. Isabel de Braganza wordt gezien als grondlegster van het museum, omdat zij het laatste zetje gaf om de plannen die de grootvader van haar man had ontworpen, te realiseren. In de expositie is ook goed te zien hoe het mu­seum een steeds bredere collectie kreeg, met donaties uit het buitenland, aankopen op nationale en internationale tentoonstellingen en overname van andere collecties. Tijdens de Spaanse burgeroorlog werd een aantal van de belangrijkste werken in veiligheid gebracht, bijvoorbeeld in?Genève maar ook in Valencia. De meeste van die werken kwamen in 1939 weer terug.Vandaag de dag heeft het museum ongeveer 35.000 kunstobjecten in bezit, waarvan meer dan achtduizend schilderijen. Natuurlijk is er geen plaats om al die werken tentoon te stellen maar na de aanbouw van een grote nieuwe vleugel is de bezoeker van het Prado tegenwoordig vele uren bezig om alle ongeveer 1700 schilderijen, beelden, meubels, tekeningen, gravures en gebruiksvoorwerpen te bekijken.
 
Het Prado staat nu vooral bekend vanwege de Europese schilderkunst uit de zestiende tot negentiende eeuw, met veel werken van de Spanjaarden Goya, Velázquez, Murillo en Zurbarán, en van de buitenlanders Rafael, Titiaan, Rubens, Van Dijck, Bosch, Fra Angelico en El Greco. Heel veel Nederlandse schilderijen telt de collectie niet hoewel het museum wel heel trots is op het werk ‘Artemisia’ van Rembrandt van Rijn, dat een voorname plaats in de collectie heeft. De drommen toeristen kijken vooral naar de werken van Rafael, naar de twee ‘Maya’s’ van Goya, de ‘tuin der lusten’ van Bosch, de ‘Drie Gratieën’ van Rubens en vooral naar ‘Las Meninas’ van Veláz­quez, het levensgrote schilderij van de familie van koning Felipe IV, geschilderd in 1656.Dit alles en nog veel maakt het de moeite waard om een tripje naar Madrid te maken, al dan niet met de hogesnelheidstrein, en u onder te dompelen in de wereld van de kunst. En als u daar momenteel geen tijd of gelegenheid voor heeft: op de website www.museodelprado.es kunt u ook een virtueel bezoek brengen aan het museum.
 
Door: Bea Lutje Schipholt
 
.